De sage van de verliefde walvis
Walvisjager Zoals bekend heeft de “Stedemaeght” een
verleden als walvisjager. Walvisjagers zijn kleinere schepen, die als het
ware als satellieten, of in visserijtermen te blijven, als loodsmannetjes
de grote walvisvaarder escorteren. De jagers doen het eigenlijke vangwerk,
terwijl het moederschip fungeert als drijvend verwerkingsfabriek.
Nu is walvisvangst op zichzelf slechts mogelijk doordat walvissen in
principe niet bang zijn voor kleine of middelgrote boten. Vanuit de
diepten der zee zien zij ze tegen het licht, als langwerpige ovale
silhouetten en zodoende houden zij ze waarschijnlijk als soortgenoten.
Zeilers en avonturiers, die de koude zeeën bevoeren hebben menigmaal
gerapporteerd, dat er walvissen dicht bij hun boten kwamen en nieuwsgierig
een eindje met hen opzwommen. Naar men aanneemt komen ze dan, sociaal en
intelligent als ze zijn, polshoogte nemen of de dobberende exemplaren soms
hulp behoeven. Er is zelfs een geval bekend van een potvis, die een hevig
rollende sloep met zijn rug enigszins trachtte te ondersteunen, wat
overigens niet in dank werd afgenomen.
De verliefde walvis Op zekere zag toen onze jager
op weg was naar de visgronden (onder de nog prozaďsche naam: POL IV) dook
er vlak naast haar een reusachtige blauwe vinvis op, die vervolgens het
schip met veel krachtsvertoon ging begeleiden. De opvarenden, die het
harpoenkanon nog niet in orde hadden, lieten hun poets- en schiemanswerk
in de steek en dromden samen bij de verschansing om dit onalledaagse
schouwspel beter te kunnen gadeslaan. Ze bemerkten dat de walvis – geheel
anders dan Moby Dick bij kapitein Achab – absoluut geen vijandige
bedoelingen had. Integendeel, het enorme zeedier werd steeds darteler,
naderde de jager steeds dichterbij en stak af en toe de kop boven water om
het schip beter te kunnen zien. De zeelui, die daar kijk op hadden,
constateerden trefzeker dat de vinvis een oogje had op de jager, die hij
als een bijzonder uit de kluiten gewassen en welgevormde partner
beschouwde, als wat de matrozen zelf “a good piece” zouden noemen.
Een blauwtje Toch stonden die doorgewinterde
zeerobben verbaasd, toen ze zagen dat de vinvis even aanhalig met zijn
flank langs de romp van het schip streek en zelfs, bij het uitblijven van
een reactie, zijn liefkozing tamelijk krachtig herhaalde. Een lichte
huivering doorvoer de POL IV, maar zij vervolgde onaangedaan haar weg. De
walvis scheen even uit het veld geslagen, maar bleek toch nog van zins ten
derde male een avance te wagen; hij naderde met angstwekkende snelheid,
draaide de jager plots zijn massieve buik toe en smakte zich in de volle
lengte tegen het onderwaterschip. Dit gaf een daverende klap, doch het
schip wankelde niet en hield onbeschadigd koers. De vinvis, die een
blauwtje gelopen had, verdween in de diepte en liet zich niet meer
zien.
Steady Maiden De mensen aanboord waren vol
bewondering voor hun schip, dat zich volgens hen een standvastige maagd of
een “steady maiden” had betoond. Zo verdiende de POL IV haar erenaam
“Steady Maiden”, hetgeen later vervlakte tot “Steddymaid” . Toen het schip
later in Nederlandse handen kwam werd dit al gauw omgevormd tot
“Stedenmaagd”. Toen de huidige Kamper eigenaar op zijn beurt verliefd werd
op deze prachtmeid, schreef hij haar dierbare naam, door romantiek
gedreven, als “Stedemaeght”. |